Veranderingen inkomstenbelasting 2020

Eigen woning
Het eigenwoningforfait voor woningen met een WOZ-waarde tussen € 75.000 en € 1.090.000 bedraagt in 2019 0,6% van de waarde. Voor het deel van de WOZ-waarde boven € 1.090.000 geldt een verhoogd eigenwoningforfait van 2,35%.

Als het eigenwoningforfait groter is dan de aftrekbare kosten, zoals de betaalde hypotheekrente, wordt het eigenwoningforfait verminderd met de aftrek wegens geen of een geringe eigenwoningschuld. Deze aftrek was aanvankelijk gelijk aan het verschil tussen het eigenwoningforfait en de aftrekbare kosten. Sinds 2019 wordt deze aftrek geleidelijk afgebouwd. In 2020 bedraagt de aftrek nog 93,33% van het verschil tussen het eigenwoningforfait en de aftrekbare kosten.

Aftrek van betaalde hypotheekrente in de hoogste tariefschijf gaat tegen 46% in plaats van tegen het tabeltarief van 49,5%. De hoogste tariefschijf begint bij een inkomen van € 68.507. Het percentage waartegen aftrek in deze tariefschijf wordt verleend daalt ieder jaar met 0,5%.

De rente in een uitkering uit een kapitaalverzekering eigen woning (KEW) is onbelast als de uitkering in 2020 niet meer bedraagt dan € 168.500. De vrijstelling voor de KEW geldt alleen voor op 1 januari 2013 bestaande verzekeringen die voldoen aan alle voorwaarden.

De maximale vrijstelling voor kamerverhuur bedraagt in 2020 € 5.506.

Premies lijfrenteverzekeringen
Betaalde premies voor lijfrenteverzekeringen zijn onder voorwaarden aftrekbaar. Voor iemand die op 1 januari de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt bedraagt de aftrekbare premie, dat is de jaarruimte, in 2020 13,3% van de premiegrondslag. De jaarruimte is maximaal € 12.968. De jaarruimte wordt verminderd met de opbouw van pensioenaanspraken en dotaties aan de oudedagsreserve.

Wie in de voorgaande zeven jaren de jaarruimte niet of niet geheel heeft benut, kan gebruik maken van een aanvullende aftrek. Deze zogenoemde reserveringsruimte bedraagt 17% van de premiegrondslag in het jaar van aftrek. Er geldt een maximum van € 7.371. Voor wie aan het begin van het kalenderjaar maximaal tien jaar jonger is dan de AOW-leeftijd wordt dit maximum verhoogd tot € 14.552. De premiegrondslag is het totaal van de winst uit onderneming, het resultaat uit werkzaamheden en het inkomen uit arbeid in het vorige jaar, met een maximum van € 110.111 en verminderd met de franchise ter grootte van € 12.472.

Voor tijdelijke oudedagslijfrenten geldt als voorwaarde voor aftrekbaarheid van de premie dat het bedrag van de jaarlijkse uitkering niet hoger mag zijn dan € 22.089. De uitkeringen mogen niet eerder ingaan dan in het jaar waarin men de AOW-leeftijd bereikt.

Box 2

In box 2 wordt belasting geheven over de voordelen uit aanmerkelijk belang, Voordelen zijn het op tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen uitgekeerde dividend en de meeropbrengst bij vervreemding van de aandelen. Het tarief in box 2 bedraagt in 2020 26,25%.

Box 3
In box 3 wordt belasting geheven tegen een tarief van 30% over de grondslag voor sparen en beleggen. Dat is het vermogen in box 3 verminderd met de vrijstelling van € 30.846 per persoon. Schulden komen tot een bedrag van € 3.100 per persoon niet in mindering op de grondslag voor sparen en beleggen.

Deel grondslag sparen en beleggen

Spaardeel 0,06%

Beleggingsdeel 5,33%

Forfaitair rendement

Tot en met € 72.797

67%

33%

1,80%

Van € 72.797 tot en met € 1.005.572

21%

79%

4,22%

Vanaf € 1.005.572

0%

100%

5,33%

 

Bron: Ministerie van Financiën | besluit | 2019-0000203012, Staatscourant 2019, 66707 | 03-01-2020

Na overlijden betaalde zorgkosten niet aftrekbaar bij overledene

Specifieke zorgkosten zijn aftrekbaar voor de inkomsten, voor zover de aftrekdrempel wordt overschreden. Dergelijke kosten zijn aftrekbaar op het moment van betaling. Volgens de Hoge Raad zijn zorgkosten, die na het overlijden van de belastingplichtige door zijn erfgenamen zijn betaald, niet aftrekbaar van het inkomen van de overledene. Wel kunnen de na het overlijden door een erfgenaam betaalde zorgkosten bij de erfgenaam in aftrek worden gebracht, met inachtneming van de voor die erfgenaam geldende drempel. Door het overlijden veranderen die kosten namelijk niet van aard. Dat was ook al zo onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964, blijkens arresten van de Hoge Raad uit 1986. Deze arresten zijn tegelijk met dit arrest van de Hoge Raad op rechtspraak.nl gepubliceerd.

Eerder in de procedure oordeelden de rechtbank en het gerechtshof dat de zorgkosten wel aftrekbaar waren van het inkomen van de overledene. Het betrof zorgkosten die in de laatste weken van het leven van de overledene zijn gemaakt en die door de erfgenamen na het overlijden uit de onverdeelde boedel zijn betaald. Het hof en de rechtbank waren van oordeel dat de kosten in het stelsel van de Wet IB 2001 konden worden geacht op de erflaatster te drukken en daarom nog op haar inkomen in aftrek konden worden gebracht.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR20191905, 19/00788 | 12-12-2019

Lage arbeidsvergoeding echtgenote

De Wet IB 2001 bepaalt dat vergoedingen voor de arbeid van de partner van een ondernemer niet ten laste van diens winst uit onderneming komen als de vergoeding lager is dan € 5.000 per jaar.

Een ondernemer claimde ondanks deze wetsbepaling aftrek voor de vergoeding van € 1.500 die hij aan zijn echtgenote had betaald voor haar werkzaamheden. De ondernemer voerde aan dat het ging om een vrijwilligersvergoeding. De rechtbank is van oordeel dat de kwalificatie van de vergoeding als vrijwilligersvergoeding niet van belang is voor de winstbepaling van een ondernemer. De kwalificatie is alleen van belang voor de belastingheffing van de echtgenote. Omdat de vergoeding voor de werkzaamheden van de echtgenote lager was dan € 5.000 per jaar, is de vergoeding van aftrek uitgesloten.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBDHA20195208, SGR 18/7889, SGR 18/7890 en SGR 18/7891 | 05-06-2019

Rendabel maken van vermogen

Het resultaat uit overige werkzaamheden wordt belast in box 1 van de inkomstenbelasting. Het rendabel maken van vermogen op een wijze die normaal, actief vermogensbeheer te buiten gaat, wordt aangemerkt als een werkzaamheid. Van normaal vermogensbeheer is geen sprake als het rendabel maken van onroerende zaken geschiedt door middel van arbeid van de eigenaar met als doel het behalen van een redelijkerwijs te verwachten voordeel dat hoger is dan het rendement bij normaal vermogensbeheer.

De dga van twee vennootschappen, die zich bezighielden met het aankopen, opknappen en verkopen van onroerende zaken, kocht in privé twee woningen. De dga liet die woningen verbouwen en verkocht ze daarna. De vraag was of de aankopen en verbouwingen waren gedaan met de intentie om de woningen met winst te verkopen. De Belastingdienst meende dat dit het geval was. De dga beschikte over kennis van het aankopen, verbouwen en verkopen van onroerende zaken. De verbouwingen werden uitgevoerd door de dga zelf of onder zijn leiding.

De rechtbank was van oordeel dat de dga de woningen heeft aangekocht met het oogmerk om deze na renovatie en verbetering te verkopen. Van belang vond de rechtbank het ontbreken van aanwijzingen voor verhuur of zelfbewoning van de woningen en het korte tijdsverloop tussen aan- en verkoop. Het met de transacties behaalde voordeel was belast in box 1.

Bron: Rechtbank | jurisprudentie | ECLINLRBNHO20193615, HAA 17/4051 en HAA 17/4052 | 22-05-2019

Kamervragen belastingheffing van dga

In de Tweede Kamer zijn vragen gesteld over de mogelijke toepassing in Nederland van een Scandinavisch model voor het belasten van winst en inkomen van ondernemers. Het gaat om een duaal stelsel, waarbij kapitaal- en arbeidsinkomen apart worden belast. In de Scandinavische landen wordt een forfaitaire winst toegekend aan vermogen en wordt de overwinst belast als inkomen uit arbeid. Een van de vragen is of een dergelijk stelsel eenvoudiger en rechtvaardiger werkt dan de Nederlandse gebruikelijkloonregeling. Een andere vraag is hoe een forfaitair rendement op het vermogen in een onderneming vastgesteld zou kunnen worden. 

De staatssecretaris merkt op dat het bij de samenloop van kapitaal- en arbeidsinkomen ingewikkeld is om het onderscheid daartussen te maken, omdat het onmogelijk is vast te stellen welk deel van het inkomen als rendement op het kapitaal tot stand komt en welk deel van het inkomen voortvloeit uit arbeidsprestaties. Daarom wordt in het Scandinavische model het kapitaalinkomen fictief vastgesteld en het overige inkomen tot het arbeidsinkomen gerekend. In het huidige Nederlandse belastingstelsel komt de samenloop van kapitaal- en arbeidsinkomen met name aan de orde bij de dga. De dga wordt betrokken in een vermogenswinstbelasting voor zijn aandelenbezit, maar moet ook een (al dan niet fictieve) arbeidsbeloning in aanmerking nemen door de werking van de gebruikelijkloonregeling. Het huidige Nederlandse belastingstelsel geeft dga’s een fiscale prikkel om hun gebruikelijk loon zo laag mogelijk vast te stellen. Daarnaast kunnen dga’s de belastingheffing in box 2 langdurig uitstellen. De vraag of wijzigingen in dat stelsel tot een verbetering kunnen leiden is onderwerp van onderzoek binnen het zogenaamde bouwstenentraject. 

Dat bouwstenentraject houdt in dat de staatssecretaris in 2020 met concrete bouwstenen en voorstellen voor verbeteringen en vereenvoudigingen van het belastingstelsel komt. Daarbij zal volgens de staatssecretaris ook gekeken worden naar ingrijpende hervormingen van het belastingstelsel, met mogelijk gevolgen voor de huidige boxenstructuur.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2019-0000079265 | 22-05-2019

Heretikettering auto van de zaak

Een ondernemer heeft de mogelijkheid om vermogensbestanddelen die zowel zakelijk als privé worden gebruikt als ondernemings- of als privévermogen te kwalificeren. De keuze voor ondernemingsvermogen moet worden gemaakt in het jaar waarin het vermogensbestanddeel voor het eerst voor de onderneming wordt gebruikt. Deze keuze kan gewijzigd worden tot het moment waarop de aanslag van het desbetreffende jaar onherroepelijk vaststaat. Daarna is herziening van de keuze alleen mogelijk op grond van bijzondere omstandigheden. Een ingrijpende functiewijziging van het vermogensbestanddeel kan een bijzondere omstandigheid zijn.

Een ondernemer claimde dat hij een in 2012 gekochte en als ondernemingsvermogen gekwalificeerde auto sinds eind december 2012 niet meer zakelijk gebruikte. Dat was een bijzondere omstandigheid die heretikettering van de auto mogelijk maakte. De ondernemer verkocht de auto in 2013. Door de heretikettering ontstond een boekverlies op de auto, dat aanvankelijk werd geaccepteerd maar later door navordering werd gecorrigeerd. De inspecteur bestreed het bestaan van een bijzondere omstandigheid die heretikettering rechtvaardigde. Volgens de inspecteur moest de ondernemer aantonen dat hij de auto niet meer zakelijk heeft gebruikt na december 2012. 

Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden volstond het als de ondernemer aannemelijk zou maken dat sprake was van een bijzondere omstandigheid. Het hof achtte hem daar niet in geslaagd. De ondernemer had geen rittenadministratie bijgehouden en niet op verifieerbare wijze inzicht kunnen geven in het feitelijk gebruik van de auto. Mede van belang vond het hof dat de ondernemer zowel in eerdere als in latere jaren een auto tot zijn ondernemingsvermogen heeft gerekend. De auto is volgens het hof tot het moment van verkoop in 2013 tot het ondernemingsvermogen blijven behoren. De inspecteur heeft terecht het in 2012 in aanmerking genomen boekverlies gecorrigeerd. Ook de bijtelling voor privégebruik van de auto moest over de periode van december 2012 tot de verkoop worden toegepast.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLINLGHARL20193984, 18/00230 t/m 18/00233 | 22-05-2019

Aftrek dieetkosten

De extra uitgaven die een belastingplichtige doet voor een op medisch voorschrift gehouden dieet zijn aan te merken als uitgaven wegens ziekte, invaliditeit en bevalling. Deze uitgaven zijn niet volledig aftrekbaar maar tot vastgestelde bedragen, afhankelijk van het type dieet.

Iemand claimde aftrek van de kosten van een door een oncologisch verpleegkundige aan zijn echtgenote voorgeschreven dieet. De echtgenote had geen separate dieetvoeding voorgeschreven of verstrekt gekregen, maar moest energie- en eiwitverrijkt eten. De dieetverklaring was niet ondertekend door een arts. De behandelend arts verklaarde dat er geen indicatie was voor dieetvoeding. In navolging van de rechtbank stond ook Hof Amsterdam de aftrek niet toe, omdat niet was voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor aftrek.

Bron: Hof Amsterdam | jurisprudentie | ECLINLGHAMS20191564, 18/00580 | 15-05-2019

Afzien van vergoeding door vrijwilliger

Giften aan algemeen nut beogende instellingen zijn aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Dat geldt niet alleen voor giften in geld, maar ook voor giften bestaande uit het afzien door een vrijwilliger van een vergoeding voor zijn vrijwilligerswerk. Aan deze laatste categorie giften worden enkele voorwaarden gesteld. De vrijwilliger moet aanspraak kunnen maken op een vergoeding voor zijn werkzaamheden en de instelling moet bereid en in staat zijn om die vergoeding te betalen. Verder moet de vrijwilliger de vrijheid hebben om over de vergoeding te beschikken.

Een vrijwillige penningmeester van een instelling claimde aftrek van een vrijwilligersvergoeding van € 1.500. Twee bestuursleden van de instelling verklaarden dat de penningmeester aanspraak had kunnen maken op dat bedrag, dat op verzoek aan hem zou zijn uitgekeerd. De vrijwilliger had echter niet om uitbetaling gevraagd. Hof Arnhem-Leeuwarden vond niet aannemelijk dat de vrijwilliger aanspraak had kunnen maken op een vergoeding en dat hij daadwerkelijk van een vergoeding heeft afgezien. De omstandigheid dat belanghebbende een vergoeding had kunnen krijgen als hij daarom gevraagd had, maakt niet dat hij heeft kunnen beschikken over een vergoeding. Omdat niet vaststond dat de vrijwilliger aanspraak op een vergoeding had, was er geen recht op aftrek.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLINLGHARL20193533, 18/00330 | 08-05-2019

Massaal bezwaar box 3-heffing 2018

De Belastingdienst verwacht dat veel mensen bezwaar zullen maken tegen de inkomstenbelastingheffing in box 3 voor het jaar 2018. De staatssecretaris van Financiën heeft daarom, mede gelet op de lopende massaalbezwaarprocedures over de belastingjaren tot en met 2017, besloten om deze bezwaarschriften ook aan te wijzen als massaal bezwaar. De aanwijzing betreft bezwaarschriften die de rechtsvraag bevatten of de vermogensrendementsheffing op regelniveau in strijd is met het in het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) opgenomen recht op ongestoord genot van eigendom of met het discriminatieverbod van dit verdrag.


In overleg met fiscale intermediairs zal een aantal bezwaarschriften worden geselecteerd voor behandeling door de belastingrechter.


Als een bezwaarschrift naast de hiervoor genoemde rechtsvraag andere geschilpunten omvat die geen betrekking hebben op de box 3-heffing, dan doet de inspecteur het bezwaar op die punten individueel af. Als in een bezwaarschrift zowel het standpunt wordt ingenomen dat de box 3-heffing in strijd is met het EVRM op regelniveau als ook op individueel niveau, dan wordt het bezwaarschrift gesplitst in een deel dat wel en een deel dat niet meeloopt in de massaal bezwaarprocedure.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2019-0000062981 | 25-04-2019

Inspecteur mag bewijsstukken kosten verbouwing later opvragen

Tot de aftrekbare kosten van een eigen woning behoort de betaalde rente van de eigenwoningschuld. De eigenwoningschuld is het totaal van de schulden, die zijn aangegaan voor de aankoop, verbetering of onderhoud van de eigen woning, en verminderd met het bedrag van een eventuele eigenwoningreserve. Om een verhoging van de eigenwoningschuld in verband met verbetering en onderhoud mogelijk te maken moeten de kosten daarvan met schriftelijke bescheiden onderbouwd kunnen worden.

Hof Den Bosch oordeelde dat, hoewel de bewijslast voor de besteding van een verhoging van de hypothecaire geldlening op de belanghebbende rust, de inspecteur niet zes jaar na dato om bewijsstukken van het onderhoud en/of de verbetering van de eigen woning mag vragen. Volgens het hof verwerkt de inspecteur na een zekere periode het recht om bewijs ter vragen wanneer hij gedurende die periode de aangiften heeft gevolgd.

De Hoge Raad deelt de opvatting van het hof niet. Uit de tekst van de wet volgt niet dat de inspecteur bewijsstukken binnen zes jaren of binnen de navorderingstermijn moet opvragen. Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat de inspecteur in andere jaren de aangiften heeft gevolgd, zolang hij niet de indruk heeft gewekt dat het volgen van de aangiften in andere jaren op een weloverwogen standpunt berustte.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR2019629, Nr. 18/03134 | 24-04-2019