Fictieve erfrechtelijke verkrijging woonhuis

De Successiewet bepaalt dat een goed dat iemand van de erflater heeft verkregen wordt geacht krachtens erfrecht door overlijden te zijn verkregen als de erflater tot zijn overlijden het genot heeft gehad van een vruchtgebruik van dat goed. De erflater wordt geacht een genot van een vruchtgebruik te hebben gehad als hij niet jaarlijks ten minste 6% van de waarde van het goed aan de verkrijger heeft betaald. Een juridisch recht van vruchtgebruik is niet vereist, een vruchtgebruik in economische zin is voldoende.

Volgens Hof Den Haag is ook van een fictieve erfrechtelijke verkrijging sprake als de erflater niet het volledige recht van gebruik en bewoning heeft voorbehouden. De casus was als volgt. Moeder verkocht haar woning aan haar inwonende dochter. Na de overdracht van de woning bleef moeder in het huis wonen zonder daarvoor een vergoeding te betalen aan haar dochter. De koopsom voor de woning is door moeder kwijtgescholden. Voor toepassing van de fictiebepaling is niet vereist dat de erflater een volledig vruchtgebruik heeft gehad tot zijn overlijden. Dat moeder bij de verkoop van de woning aan haar dochter het woongenot heeft behouden zonder daarvoor een vergoeding te betalen viel volgens het hof af te leiden uit het taxatierapport waarop de koopprijs is gebaseerd. Die lag lager dan de WOZ-waarde van de woning.

De koopsom voor de woning kwam niet in mindering op de fictieve erfrechtelijke verkrijging, omdat deze was omgezet in een lening, die vervolgens is kwijtgescholden. Voor de Successiewet geldt dat niet als door de verkrijger opgeofferde waarde.

Bron: Hof Den Haag | jurisprudentie | ECLINLGHDHA2019992, BK-18/00490 | 08-05-2019

Misbruik verhoogde schenkingsvrijstelling

Sinds 2017 is de verhoogde schenkingsvrijstelling ten behoeve van de eigen woning niet langer beperkt tot schenkingen van ouders aan hun kinderen. Mensen tussen 18 en 40 jaar mogen van iedereen eenmalig een schenking van maximaal € 102.010 (bedrag 2019) vrij van schenkbelasting ontvangen. Het geschonken bedrag moet binnen twee jaar na het jaar van de schenking worden benut voor de bouw of verwerving van een eigen woning, de aflossing van de eigenwoningschuld, de verbetering of het onderhoud van de eigen woning of voor de aflossing van een restschuld. In 2020 wordt de regeling geëvalueerd. Daarbij zal onderzocht worden of zich ongewenste constructies voordoen. Een mogelijke ongewenste constructie is de kruislingse schenking. Die constructie wordt toegepast wanneer voor een schenking van ouders aan hun kind al een beroep is gedaan op de eenmalig verhoogde vrijstelling. Om een volgende schenking toch belastingvrij te kunnen doen, schenkt ouderpaar 1 aan het kind van ouderpaar 2 en andersom.

In antwoord op Kamervragen zegt de staatssecretaris van Financiën dat de Belastingdienst kruislingse schenkingen zal beschouwen als schenkingen van de ouder(s) aan het eigen kind. Dat betekent dat schenkbelasting van het kind wordt geheven, indien het kind eerder een beroep heeft gedaan op de verhoogde vrijstelling voor een schenking van de ouders. De staatssecretaris vindt het gebruik van kruislingse schenkingen om de verhoogde vrijstelling voor de eigen woning meerdere keren te kunnen benutten in strijd met de letter en geest van de Successiewet. In strijd met de letter van de wet omdat door het stellen van de voorwaarde van een schenking door het andere ouderpaar aan het eigen kind niet voldaan is aan de eis dat de schenking onvoorwaardelijk wordt gedaan.

De staatssecretaris is overigens niet van plan om wijzigingen in de regeling door te voeren om dit soort niet wenselijke fiscale constructies onmogelijk te maken. Bij het wijzigen van de regeling van de vrijstelling per 1 januari 2017 is bewust gekozen voor een ruimere toepassing dan de ouder-kindrelatie.

Bron: Ministerie van Financiën | publicatie | 2019-0000036740 | 13-03-2019

Waardestijging aandelen door overlijden lijfrentegerechtigde

De Successiewet merkt in bepaalde gevallen de waardestijging van aandelen in een vennootschap als gevolg van overlijden aan als een erfrechtelijke verkrijging. De wetsbepaling geldt alleen voor aandelen die een aanmerkelijk belang vormen, waarvan de houder een familielid is van de overledene. Deze bepaling is ingevoerd om een einde te maken aan constructies waarbij iemands oudedagsvoorziening werd ondergebracht in een vennootschap waarvan de aandelen werden gehouden door anderen om de waardestijging van de aandelen door de vrijval van de oudedagsvoorziening onbelast te kunnen genieten. Een erfrechtelijke verkrijging wordt in aanmerking genomen naar de waarde in het economische verkeer op het tijdstip van de verkrijging. Op dat tijdstip moet de waarde van de aandelen en de waardestijging van de aandelen door het overlijden worden bepaald.

De vraag in een procedure was of de waardestijging van aandelen was veroorzaakt door het overlijden van een lijfrentegerechtigde of door de korte tijd voor het overlijden geconstateerde ongeneeslijke ziekte. Volgens het hof en de Hoge Raad behoorde ook een eventuele eerdere afwaardering van de lijfrenteverplichting tot de te belasten waardestijging van de aandelen.

Bron: Hoge Raad | jurisprudentie | ECLINLHR2019235, 18/01139 | 20-02-2019

Schenking kort voor overlijden

Een schenking, die wordt gedaan binnen 180 dagen voor het overlijden van de schenker, wordt aangemerkt als een erfrechtelijke verkrijging. De achtergrond van de wetsbepaling is te voorkomen dat met het doen van schenkingen in het zicht van het overlijden belastingvoordelen worden behaald. De te betalen erfbelasting wordt verminderd met de betaalde schenkbelasting.

De vraag in een procedure was of die vermindering moet worden berekend in de verhouding van het geschonken bedrag tot de totale erfrechtelijke verkrijging of dat het werkelijk betaalde bedrag aan schenkbelasting in mindering komt. De rechtbank vond de door de inspecteur gehanteerde wijze van vermindering met een evenredig deel van de totale erfbelasting niet onjuist. In hoger beroep kwam Hof Arnhem-Leeuwarden tot een ander oordeel dan de rechtbank. Volgens het hof is de tekst van het wetsartikel duidelijk en niet voor twijfel vatbaar. Vermindering met het gehele bedrag aan schenkbelasting is ook niet in strijd met doel en strekking van de wetsbepaling. Desondanks kwam niet het gehele bedrag aan betaalde schenkbelasting in aanmerking. De erfgenaam had in het kalenderjaar voor het overlijden van de erflater twee schenkingen ontvangen, die voor de berekening van de schenkbelasting waren samengeteld. De eerste schenking was echter buiten de 180-dagentermijn gedaan. De belasting, die op deze schenking betrekking had, kwam niet voor verrekening in aanmerking.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden | jurisprudentie | ECLINLGHARL201921, nummer 18/00027 | 24-01-2019